×
Eindtermen en doelstellingen ET 9.1.1 8 de geofysische opbouw van de aarde en de platentektoniek beschrijven en gevolgen ervan zoals: de
ligging van oceanen en continenten, vulkanisme en aardbevingen en bepaalde klimaatsveranderingen
verklaren
LPD 4.6.1 De schilvormige opbouw van de aarde kunnen
weergeven. (schilvormige bouw + belangrijkste kenmerken van de lagen)
1.1 Spreiding van geologische verschijnselen
Opdracht 1
Open de kaart met recente aardbevingen. Breng deze zo goed mogelijk aan op de kaart in de cursus. Doe hetzelfde voor vulkanen, maar in een andere kleur.
kaart: recente aardbevingen
historische aardbevingen in Turkije
kaart: vulkanen
aantal aardbevingen in de afgelopen maand
kaart: plaatnamen
Google Earth: aardbevingen
video: bouw van de aarde
Opdracht 2
Maak de sorteeroefening.
Ga voor de volgende plaatsen na of er een verband is met de aanwezigheid van aardbevingen en/of vulkanen (plaatsen aanduiden op kaart in de bundel).
sorteeroefening: geologische verschijnselen
1.2 Indeling in schillen: chemische indeling
Opdracht 3
Open de animatie en los de vragen op. Maak ook de invuloefening (figuur 4, kies uit: atmosfeer, binnenkern, buitenkern, korst, mantel, moho).
Noteer ook de diktes en dieptes op het schema op figuur 3.
sleepoefening
animatie
chemische bouw van de aarde
aardlagen
kaart: dikte van de korst
De mantel omvat ongeveer 82 % van het volume van de aarde.
De mantel bestaat uit magnesium rijke gesteenten (zoals duniet) bron afbeelding: BRLSI
Schrap wat niet correct is
De oceanische korst is dunner / dikker dan de continentale.
De oceanische korst is lichter / zwaarder dan de continentale (massadichtheid).
Hoe verschillen oceanische en continentale korst chemisch nog?
continentaal: bevat meer . . . . . . . oceanisch: bevat meer . . . . . . .
Waarin verschillen de korst en de mantel chemisch gezien (welke elementen verschillen)?
1.3 Indeling in schillen: mechanische of fysische indeling
Opdracht 4
Los de vragen op. Vul ook het schema op bladzijde 10 aan.
De schillen naar toenemende diepte, fysische indeling
fysische laag
toestand
komt overeen met
lithosfeer
vast
= korst + vaste deel buitenmantel
asthenosfeer
plastisch
mesosfeer (oudere benaming)
minder plastisch (door hogere druk), steviger dan asthenosfeer
= manteltransitiezone + ondermantel
buitenkern
vloeibaar
binnenkern
vast
1.3.1 De lithosfeer
lithosfeer = korst + vaste bovenmantel
= vast
opgebroken in aantal lithosfeerplaten
oceanische lithosfeer: 20 - 140 km dik (dunst nabij mid-oceanische ruggen)
continentale lithosfeer: 40 - 280 km dik (dus dikker dan oceanische lithosfeer)
continentale lithosfeer heeft een lagere dichtheid dan oceanische lithosfeer (omdat continentale korst lichter is dan oceanische korst)
1300°-isotherm vormt overgang naar de onderliggende asthenosfeer
hogere seismische snelheden dan in de asthenosfeer (zie figuur onder)
1.3.2 De Moho (de ‘Mohorovicic-discontinuïteit’)
Discontinuïteitsvlak
Een zone waar de snelheid van seismische golven (P-golven,
S-golven…zie practicum) plots scherp verandert noemen we een
discontinuïteit(svlak).
Moho
De Moho vormt de grens tussen korst en mantel en ligt dus in de lithosfeer.
Diepe boringen naar de MOHO
seismische snelheden onder de Moho (in de mantel): iets groter dan net erboven (in de korst) ⇒ 'sluiproute' ⇒ op grote afstand komen aardbevingsgolven sneller dan verwacht aan.
1.3.3 De asthenosfeer
van ongeveer 100 tot 410 km diep
= plastisch
lagere seismische snelheden
lithosfeerplaten 'drijven' op de asthenosfeer
continentale lithosfeer: 40 - 280 km dik (dus dikker dan oceanische lithosfeer)
continentale lithosfeer heeft een lagere dichtheid dan oceanische lithosfeer (omdat continentale korst lichter is dan oceanische korst)
1300°-isotherm vormt overgang naar de onderliggende asthenosfeer
hogere seismische snelheden dan in de asthenosfeer (zie figuur onder)
1.3.4 De manteltransitiezone
van 410 tot 660 km diep
hogere druk dan in asthenosfeer
daardoor minder plastisch ('steviger')
de manteltransitiezone bevat meer water (gebonden aan vaste stof) dan er in de oceaan is
1.3.5 De ondermantel
van 660 tot 2900 km diep
hogere druk dan in asthenosfeer
daardoor minder plastisch ('steviger')
de manteltransitiezone bevat meer water (gebonden aan vaste stof) dan er in de oceaan is
1.3.6 De buitenkern
van 2900 tot 5150 km diep
vloeibaar
temperatuur aan onderzijde 5900° C.
P-golven : gaan doorheen vloeistof (zoals geluidsgolven), PP-golven: gereflecteerde P-golven
S-golven : worden tegengehouden door een vloeistof
Aardbevingsgolven doorheen de aarde
1.3.7 De binnenkern
van 5150 tot 6371 km diep
vast
druk: 4 miljoen atmosfeer