Gebied met gelijkaardige bodem en landschapselementen.
Hoog-België
Streek in België van 200 tot meer dan 500 m hoogte.
Opdracht 1
Situeer de Condroz op de onderstaande kaart. Los daarna de vragen op.
1. Welke rivieren vormen de fysische grens van de Condroz aan de noordzijde? Samber, Maas, Vesder
2. Welke hoogtelijn / geografische streek vormt de grens in het zuiden? 300-m hoogtelijn en Fagne/Famenne
3. Welke rivier begrenst de Condroz in het oosten? Ourthe
4. Welke politieke grens begrenst de Condroz in het westen? Frankrijk
5. Welke grote rivier doorsnijdt het gebied? Maas
4.2 Relief
Op de foto's, reliëfkaart en doorsnede kan je zien dat de Condroz bestaat uit een golvend landschap waarin langgerekte, evenwijdige kammen met brede depressies afwisselen.
Opdracht 2
Bekijk het digitaal hoogtemodel. Je kan er heel duidelijk de kammen op zien. Bekijk ook de topografische kaart en los op.
1. Wat is de oriëntatie van de kammen en depressies? NE-SW-gericht
2. Hoe hoog steken de kammen uit in het landschap (TAW)? 300 m
3. Hoe hoog liggen de depressies? 250 m
4. Wat is dus het hoogteverschil tussen de depressies en de kammen? 50 m
4.3 Geologie
De huizen, boerderijen en kerken in de Condroz werden in het verleden voornamelijk opgebouwd uit plaatselijke gesteenten. De oriëntatierichting van het reliëf vertoont een opvallend parallel verloop met de structuur van de gesteentelagen.
Opdracht 3
Ook hier: de vragen oplossen. Maak daarvoor gebruik van de geologische tijdsschaal.
1. Wat is het oudste gesteente: de psammiet of de kalksteen? psammiet (ligt onder de kalksteen)
2. Waar komt de kalksteen voor? In de depressies of op de kammen? in de depressies
3. Waar komt de psammiet voor? op de kammen
Deze structuur wijst op een eenvoudige plooistructuur. De gesteentelagen zijn geplooid in een reeks synclines en anticlines.
syncline: plooi met jongste lagen in het midden, V-vorm
anticline: plooi met de oudste lagen in het midden, A-vorm
4. Welk gesteente vormt de anticlines?
5. Welk gesteente vormt de synclines? kalksteen (in het midden van de 'V')
4.4 Bodem
Opdracht 4
Ga naar Google Earth en zoom in op het gebied van de Condroz. Vooral het gebied rond Ciney is erg bruikbaar.
Los de vragen op.
1. Welke soorten bodemgebruik herken je op de luchtfoto? landbouw
Info bodems Condroz
Op de bodemkaart vinden we twee grote bodemgroepen terug: leembodems en
stenige verweringsbodems. Het bodemgebruik wordt gedeeltelijk door deze bodemtypes bepaald. Op verschillende
plaatsen vinden we leem terug, dit zorgt voor behoorlijke landbouwmogelijkheden. Hierop overheerst akkerbouw.
Meestel is de leemlaag echter dun en vermengd met verweerde psammiet of kalksteen. Psammiet is van nature uit
weinig vruchtbaar, de kammen waren hierdoor meestal bebost. De verweringsbodems van kalksteen zijn zwaar lemig
tot kleiig en lagen meestal onder grasland. Dit is echter het klassieke beeld - door gebruik van meststoffen en drainage vervaagt dit beeld geleidelijk.
Opdracht 5
Vul de onderstaande synthesetabel in.
Reliëf
Ouderdom (periode)
Gesteente
Geologische structuur (anticline,...)
Bodemgebruik
Kam
. . . . . .
. . . . . .
. . . . . .
Van nature bebost
Depressie
Onder-Carboon
. . . . . .
syncline
akker indien vruchtbaar genoeg, anders weiland
Tijd over?
Het ontstaan van dit reliëf gaat terug tot in het Paleozoïcum.
In de Devoon- en Carboonperiode werd het land overspeld door de zee. Dikke
lagen zand en kalkslib werden afgezet. Deze verhardden geleidelijk tot
zandsteen en kalksteen.
Op het einde van de Devoon-Carboon periode vond de Hercynische plooiingsfase
plaats. De zeeafzettingen werden door intense druk vanuit het zuiden geplooid
tot een plooienbundel.
Verwering en erosie in het Mesozoïcum en Paleogeen vlakten het gebied af
tot een schiervlakte.
De zee overspoelde het gebied herhaaldelijk opnieuw. Vanaf eind Paleogeen
was er een geleidelijke opheffing a.g.v. de Alpiene plooiing. Deze opheffing
was sterker in het zuidelijk deel. De zee trok zich naar het noorden terug.
Er ontwikkelde zich een riviernetwerk met een zuid-noordoriëntatie dat de lagen
wegerodeerde. De geplooide Paleozoïsche lagen kwamen weer aan de oppervlakte.
Op deze lagen vond nu differentiële erosie plaats. De oudere harde
psammiet bood de meeste weerstand; de kalksteen daarentegen verweerde en
erodeerde veel vlugger. Het uiteindelijke resultaat is een reeks kammen met
weerstandbiedende psammiet die met de anticlines overeenkomen en een reeks
depressies met minder weerstandbiedende kalksteen die met synclines
samenvallen.