| MD 09.06 | De leerlingen lichten atmosferische processen toe aan de hand van neerslag, temperatuur en winden. (LPD 6) |
|---|
De vegetatie op aarde is niet gelijkmatig verdeeld. Een aantal factoren spelen hierin een rol, waarvan neerslaghoeveelheid en luchttemperatuur de voornaamste zijn. In deze eerste onderzoeksopdracht gaan we na waarom de luchttemperatuur op aarde niet overal gelijk is.
Duid op de onderstaande kaart aan: de plaatsen Marseille, Tromsoe (Noorwegen) en Douala (Kameroen). Noteer naast elke plaats op de kaart ook de gemiddelde jaartemperatuur.
Ga vervolgens de gelijkenissen en verschillen tussen deze plaatsen na en vind de oorzaak van het verschil. Kies tussen (grote verschillen in) 'hoogteligging', 'breedteligging' of 'afstand tot de zee'. Noteer ook de waarde voor deze parameter (bijvoorbeeld hoogte in m of geografische breedte op de kaart).
Verwoord tenslotte het verband tussen deze parameter en de gemiddelde jaartemperatuur.

Verband:
Ga vervolgens de gelijkenissen en verschillen tussen deze plaatsen na en vind de oorzaak van het verschil. Je kan bijvoorbeeld 'Bogota' vergelijken met een plaats op de kromme met dezelfde temperatuur of met dezelfde geografischebreedte. Kies tussen (grote verschillen in) 'hoogteligging', 'breedteligging' of 'afstand tot de zee'. Noteer ook de waarde voor deze parameter (bijvoorbeeld hoogte in m of geografische breedte op de kaart).
Verwoord tenslotte het verband tussen deze parameter en de gemiddelde jaartemperatuur.
Onderzoek wat de oorzaak van het temperatuursverschil is op onderstaande kaarten en verklaar met wat je weet over de bewegingen van de aarde.
|
links: januari 2001, rechts: juli 2001 |
Op de kaart staan de temperatuursverschillen tussen de koudste maand en de warmste maand weergegeven. Wat is het verband tussen dit verschil en de positie (en neen, het is niet de lengteligging).
warmtegedrag
De hoeveelheid warmte nodig om 1 g graniet met 1° C te doen stijgen is 0,8 J. Voor
water is 4,2 J nodig om 1 g met 1° C te laten stijgen. Het resultaat is dat land sneller
opwarmt, maar ook sneller afkoelt. Bij continentale klimaten is de matigende invloed van
de zee daarom beperkt: ze kennen hetere zomers en koudere winters dan maritieme
klimaten.
Open de kaart en onderzoek het verschil in jaartemperatuur tussen Walvisbaai en Sao Paolo op de klimatogrammen. Vergelijk ook hoogte en breedteligging om er zeker van te zijn dat die niet aan de oorzaak liggen van een eventueel verschil.
Open daarna de real-time kaart met boeien en vergelijk de water- en/of luchttemperatuur (WTMP, ATMP) aan weerszijden van de noordelijke Atlantische Oceaan op een vergelijkbare breedte. Verwoord ook hier wat je waarneemt (waar is het het warmst, hoeveel bedraagt het verschil,...).
warmtetransport door oceanen
Warme zeestromingen brengen uiteraard ook warmere lucht mee aan land
dan koude zeestromingen.
Onderzoek het verband tussen de bebouwingsdichtheid en de luchttemperatuur in een stedelijke omgeving en geef hier een verklaring voor (met cijfers).
Onderzoek het effect van een helling op de temperatuur en geef hiervoor een verklaring. Onderzoek dit voor twee plaatsen aan weerszijden van het gebergte.
Vergelijk de dagtemperatuur in juli met het percentage bewolking, ook in juli. Centreer de kaarten op Afrika maar kijk ook naar andere plaatsen.
Verklaar het verschil in jaartemperatuur tussen volgende plaatsen en motiveer je antwoord.
Los de overige vragen op