7. Bodems

7.1 Indeling van bodems

7.1.1 De bestanddelen van de bodem

Definities

Definitie: bodem

= het doorwortelde deel van het aardoppervlak.

Een bodem bestaat uit:





Bodems worden ingedeeld naargelang hun korrelgrootte (de 'grondsoort'), de draineringsklasse (intensiteit van roestverschijnselen, bewegingen van het grondwater) en de horizonten-opeenvolging. De grondsoort of textuurklasse kan bepaald worden door met duim en wijsvinger te wrijven (de 'vingertest') en het gehalte aan de verschillende korrelgroottefracties te bepalen:

Korrels groter dan 2 mm behoren tot de grintfractie, maar grint speelt geen rol in de bodemindeling. In een textuurdiagram of textuurdriehoek worden de textuurklassen voorgesteld als een mengsel van enkel klei-, leem- en zandfractie.

De informatie van de textuurklasse of grondsoort wordt verder aangevuld met informatie over de draineringstoestand en de profielontwikkeling (oftewel horizontenopeenvolging).


zand (bron: USGS)




Humus

Humus is een zwart of bruinzwart mengsel van organische bestanddelen. Het is het eindproduct van biologische omzettingen. Samen met klei zorgt het voor een binding tussen de minerale korrels. Humus kan ook water ophouden, wat belangrijk is voor plantengroei.




Bodemwater


bodemwater en de watertafel

Het water in de bodem noemen we het bodemwater. Bodemwater bevindt zich boven de watertafel. Het zorgt voor het transport van kleine deeltjes zoals klei dieper de bodem in en laat toe dat zouten oplossen en voor planten beschikbaar zijn. Een teveel aan bodemwater zorgt ervoor dat de lucht uit de bodem verdreven wordt en dat het bodemleven niet meer mogelijk is. Zo een bodem noemen we een waterzieke bodem.

Beneden de grondwatertafel is elke porie met water gevuld. Grondwater kan echter door capillariteit opstijgen in de capillaire zone net boven de watertafel. Hoe fijner de korrelgrootte, hoe hoger deze capillaire zone.

Boven de watertafel treden chemische reductieverschijnselen op, waardoor de bodem er daar blauw of grijsblauw uitziet.




Definitie: bodemserie of kernserie

De drie parameters textuurklasse (ofte grondsoort), draineringstoestand en profielontwikkeling vormen samen de bodemserie.


Opdracht 1

Maak een opgavepresentatie aan met titelslide. Vermeld ook straat en gemeente.

Gebruik de demo in de animatie in de opdracht om te leren hoe je het diagram afleest. Los daarna de volgende vragen op:


Animatie: textuurdiagram

7.1.2 Het bodemprofiel

Een verschil in biologische en klimaatsinvloeden leidt tot een verschil in verwering en dus in bodemvorming.

Hierdoor ontstaan verschillende bodemhorizonten. We onderscheiden van boven naar onder de organische horizont O en de minerale horizonten A, B en C.

  • De organische horizont O bestaat uit fris of gedeeltelijk ontbonden plantenresten.

  • De horizont A omvat de donkere, humeuze oppervlaktehorizont.

  • De horizont B omvat gedeeltelijk verweerd materiaal.

  • De horizont C omvat onverweerd los materiaal en ligt boven op de regoliet R (= onverweerd en vast gesteente = moedermateriaal).


Bodemprofiel met duidelijke A-horizont

Bodemprofiel met uitgespoelde horizont

Drie horizonten: humusrijk bovenaan, roestkleurig en dus ijzerrijk in het midden en kleirijk onderaan


7.2 De bodemkaart


Opdracht 2

Onderzoek het bodemtype van je woning. Doe dit als volgt:





Kaart: bodemverkenner